Toelichting op de thema’s Nascholing Inner Child Therapie

Toelichting op de Nascholing Inner Child Therapie

In de nascholing Inner Child Therapie komen verschillende thema’s aan bod. Hieronder beschrijven we wat we per thema behandelen.

  • Transactionele Analyse
    We bespreken de basisbegrippen van de Transactionele Analyse waarna we experiëntieel verder werken via een eigen kennismaking met een Innerlijk Kind. Werken met visualisaties, tekenen en schrijven met de niet-dominante hand zijn methodieken die we hier introduceren. Ook het werken met de Innerlijke Ouder en de Volwassene geven we aandacht.
  • Biografie en levensgeschiedenis
    Bij dit thema besteden we aandacht aan het ontstaan van de delen die we Innerlijk Kind en Innerlijke Ouder noemen. We werken met het biografisch interview en kinetische gezinstekening om meer zicht te krijgen op het systeem waarbinnen iemand is gesocialiseerd. Welke plek heeft iemand in de kinderrij in het gezin, welke rollen vervullen deze kinderen in het gezinssysteem? Ook onderzoeken we zo welke gebeurtenissen uit iemands leven van invloed zijn geweest in het opgroeien, zoals ziektes in het gezin, verhuizingen, geboortes en overlijden van gezins-/ familieleden. Op deze manier krijgen we meer zicht op iemands vaak meer verborgen kernthema’s. De kinetische gezinstekening voegt op geheel eigen wijze anders onbewuste en onuitgesproken informatie en inzichten toe in de gezinsdynamiek.
  • Gehechtheidsrelaties
    Zowel voor het werk met Innerlijk Kinderen als met de persoon hier-en-nu en hoe hij/zij omgaat met sociale situaties is kennis van de wijze waarop mensen gehecht zijn van belang. We maken onderscheid tussen kinderen, die veilig, vermijdend, ambivalent en gedesorganiseerd gehecht zijn. Een veilig gehecht kind zal vooral vertrouwen in zichzelf en anderen hebben, een ambivalent gehecht kind zal over het algemeen te weinig zelfvertrouwen hebben en zich heel afhankelijk van anderen opstellen, een vermijdend gehecht kind zal vooral weinig vertrouwen hebben in anderen en te veel terugvallen op eigen kunnen, bij een gedesorganiseerd gehecht kind is er sprake van angst en verwarring t.o.v. de ouder. In aansluiting op de wijze van gehecht zijn ontwikkelt het kind in meer of mindere mate eigen overlevingsstrategieën om met pijnlijke kwetsuren om te kunnen gaan. Ook de manier waarop we op ons eigen opvoedingsverleden terugkijken en daarover vertellen, verschilt naargelang de wijze waarop we gehecht zijn. Daarom besteden we aandacht aan de manier waarop de client zich in taal uitdrukt. Uiteindelijk is de uitkomst van het therapeutisch werk dat een cliënt leert het eigen opvoedingsverleden te integreren, dus op een autonome wijze erop terug te zien, hoe negatief dat verleden ook geweest mag zijn. We gaan ook praktisch aan de slag met oefeningen waarbij we reflecteren op het eigen opvoedingsverleden.
    Bij het werken met de gevoelige en traumatische herinneringen van de client zijn we vooral gericht op het opbouwen van een vertrouwensband tussen therapeut en getraumatiseerde cliënt waarin we de grenzen van de client respecteren: nee = nee. Dat is een extra reden om stil te staan bij dit thema: veiligheid en vertrouwen hebben in de kindertijd vaak ontbroken.
  • Brein en geheugen
    Interpersoonlijke Neurobiologie (IPNB) onderzoekt hoe interacties en ervaringen met anderen hun weerslag vinden in het fysieke brein. IPNB kijkt namelijk naar de doorlopende interactie tussen het brein, sociaal gedrag, relaties en hun integratie. Het brein stopt niet met neuronale groei als we volwassenen zijn, zoals we lang hebben gedacht. Dit betekent dat we gedurende het hele leven in staat zijn om nieuwe verbindingen te leggen. Door deze nieuwe verbindingen kunnen mensen voortdurend nieuwe strategieën ontwikkelen om hun mentale, fysieke en relationele welzijn duurzaam en structureel te vergroten. Dat betekent dan ook dat de transformatie die we door Inner Child therapie op ervaringsniveau en relationeel niveau met de client bereiken ook in het fysieke brein integreert (verticale en narratieve integratie). Onderzoeken op het gebied van IPNB bieden dus een interessante onderbouwing voor de werkzaamheid van Inner Child Therapie. Er wordt weliswaar geen direct onderzoek gedaan naar de effecten van interventies uit de regressie – of Inner Child Therapie, maar indirect geven onderzoeken wel steun aan een werkwijze waarbij lichaamswerk, emoties en overtuigingen met elkaar verbonden worden. Vooral bij die onderzoekers die de menselijke psyche opvatten als een “embodied mind”. Kennis van de IPNB draagt in belangrijke mate bij aan de evidentie waarom Inner Child Therapie werkt.
    In het werken met het Innerlijk Kind is kennis van de werking van het brein en het geheugen belangrijk. Hoe komt het dat een zintuigelijke prikkel (trigger), die op zichzelf neutraal is, bijvoorbeeld een beeld, een woord, een geluid of een geur, een emotionele en gedragsmatige reactie oproept die van een heftigheid is, die je niet zou verwachten. Triggers werken onbewust. In Inner Child therapie zoeken we, samen met onze cliënt, uit hoe het komt dat deze trigger zo beladen is. Qua theorie komen thema’s als expliciete en impliciete herinnering aan bod. We gaan uit van een onderscheid tussen herinneringen waar we een biografisch verhaal bij hebben (“expliciet”) en herinneringen waar we dat niet bij hebben (“impliciet”). Deze laatste worden veelal niet als herinnering herkend en veeleer ervaren als niet in de context passende emoties en somatics. Impliciete herinneringen zijn ouder dan de expliciete. Ze stammen uit de tijd dat het cognitieve deel van ons brein nog niet ten volle ontwikkeld was. In onze therapeutische visie beschouwen we deze impliciete geheugeninhouden als vormen van natuurlijke trance.
  • Familiegeschiedenis en intergenerationele thema’s
    Wie in de therapeutische zin bezig gaat met de familiegeschiedenis komt er naar onze mening niet onderuit stil te staan bij de existentiële loyaliteit tussen leden van een familie. We onderzoeken de eigen familiegeschiedenis en gaan na hoe de interactie in het gezin/familie gestalte heeft gekregen. Oude interactiepatronen zien we zich nl. vaak herhalen in volwassen relaties. Welke thema’s en patronen zijn er in het gezin doorgegeven, wellicht zelfs over meerdere generaties? Daarbij staan de (verinnerlijkte) interacties uit de vroege kindertijd tussen de ouders onderling en met het kind centraal. Geboden en verboden uit het gezin van herkomst worden geïnternaliseerd. Gedurende deze interacties vindt er een proces van vereenzelviging met anderen en kopiëren van andermans gedrag plaats. In dit kader gaan we wat nader in op het begrip ´parentificatie´, het patroon dat ontstaat als een kind volwassen verantwoordelijkheden op zich krijgt/neemt, zoals dat bijv. het geval is bij KOPP-kinderen.
  • Trauma en traumaverwerking
    Bij dit onderwerp gaat het speciaal over de zwaardere problematiek waar we als therapeut regelmatig mee te maken krijgen. “Trauma” kun je vrij letterlijk opvatten als “wonde”. We geven twee vormen van trauma en het verband met dissociatie (uit contact gaan met het lichaam) speciale aandacht: shocktrauma (zoals geweld, verkrachting en seksueel misbruik) en ontwikkelingstrauma. Als we naar de maatschappelijke context van shocktrauma kijken, is geweld vaak allereerst een thema voor mannen (denk aan oorlogsveteranen) en seksueel misbruik vooral van vrouwen. Dit betekent helemaal niet dat elk van beide thema’s tot een van de geslachten beperkt blijft.Een ontwikkelingstrauma is een verzamelnaam voor klachten die het gevolg zijn van een traumatische of onveilige jeugd waarin sprake was van bijv. verwaarlozing, misbruik, geweld of verlies van een dierbare. Het komt veel voor dat een traumatische gebeurtenis in het volwassen leven, ook de onderliggende traumatische reacties of ervaringen oproepen uit de vroege jeugd. De vroegere onveiligheid, angst of geweld liggen diep verankerd in het lichaam en de lichamelijk reacties. Daarom is het herstel van vertrouwen in het eigen lichaam en veilig-gevoeld contact met iemand anders een belangrijke stap in de ontwikkeling.
  • Functionele en disfunctionele vormen van (on-) afhankelijkheid, autonomie en grenzen
    Hier betreft het de mate waarin je je op een gezonde wijze los hebt weten te maken van je gezin van herkomst, of met welke problemen je in dat opzicht hebt te kampen. In de vroege kindertijd zijn kinderen voor hun overleven afhankelijk van hun ouders en verzorgers. In een gezond gezin leren kinderen groeien kinderen op tot steeds onafhankelijker functioneren. In disfunctionele gezinnen worden kinderen daarentegen getraind om afhankelijk te blijven en tegemoet te komen aan de behoeften van de ouders en mogelijk van de omgeving. Kinderen gaan hierin mee, of ze gaan zich afzetten. Hierbij speelt loyaliteit aan ouders, broers en zussen een belangrijke rol. Belangrijk is om onafhankelijkheid te ontwikkelen door een juist besef van en omgaan met eigen en andermans grenzen. Hierdoor wordt het mogelijk om gezonde relaties met anderen aan te gaan.
  • Innerlijk kind als natuurlijke trance
    Als we (onvrijwillig) in een Innerlijk Kind “schieten”, betekent dat naar onze mening dat we in trance gaan. We raken weg uit het hier en nu en vallen terug op een of andere oude overlevingsstrategie, een ingesleten gewoontepatroon. Deze overlevingsstrategie verschijnt in het dagelijkse leven hier-en-nu vaak als een natuurlijke trance waar we in schieten. Er bestaan uiteraard veel en verschillende overlevingsstrategieën en dus ook veel en verschillende trances waar we in kunnen gaan. Maar zo goed als allemaal verwijzen ze terug naar onze kindertijd waar hun ontstaan en oorsprong ligt. De term “Innerlijk Kind” beschouwen we daarom als een belangrijke metafoor voor therapeutisch werk: je zou het een overkoepelend begrip kunnen noemen voor alle oude trances waar we in het leven van alledag in terecht kunnen komen. We gaan oefenen met een methodiek waarbij direct gewerkt wordt met het Innerlijk Kind als natuurlijke trance zonder dat een formele inductie noodzakelijk is.